Monnickendam

From

Jump to: navigation, search
Heraldry of the World
Civic heraldry of the Netherlands - Nederlandse gemeentewapens


MONNICKENDAM

Provincie  : Noord Holland
Opheffing  : 1991 Waterland
Toevoegingen : -

I : 26 juni 1816
"Van zilver beladen met een monnik in zijne natuurlijke kleur en kleeding, staande op een terras van sijnople. Het schild gedekt met een krans van eikenloof en vastgehouden ter weerskanten door een griffioen. "

NB : de monnik draagt een knots over zijn rechterschouder, een rozenkrans in zijn linkerhand, de krans is van sinopel en de griffioenen zijn van natuurlijke kleur

Oorsprong/verklaring

Van den Bergh noemt 3 zegels voor de stad Monnickedam. Het eerste dateert uit 1361, en vertoont een gedeeld schild, rechts gedwarsbalkt van 6 stukken, de 1e, 3e en 5e beladen met resp 4,3 en 2 St.Andrieskruisjes, links een zwaan.
De zwaan is waarschijnlijk de zwaan van het Waterland. De kruisjes kunnen afgeleid zijn van het wapen van Persijn (vgl Amsterdam), maar ook van een andere familie (vgl Spijkenisse).


Het oudste zegel

Het volgende zegel, uit 1406, vertoont voor het eerst de monnik en het derde uit 1583 het bovenstaande wapen gehouden door 2 griffioenen.


Het wapen in de Oldenkott albums +/- 1910

Het wapen in de Koffie Hag albums +/- 1930

De monnik kan een sprekend element vormen, de oorsprong van het wapen is niet bekend, het wordt wel verklaard in het verhaal van de Wapenstier. Dit verhaal gaat alsvolgt :
Op het grasveld van het klooster in Monnickendam graasde een stier, die in anderhalve dag al het gras weg had. De prior van het klooster kon er niet van brevieren ; hij moest nadenken over de stier en wat die zou eten. Hij sloeg zijn ogen op naar boven, zoals dat hoort bij vrome mensen, en meteen viel zijn blik op het dak van het klooster: daar groeide gras.
De prior was er erg blij mee en besloten werd de stier op het dak te hijsen. De stier werd dus omhoog getrokken, om op het heilige dak te grazen. Maar hij vond het trekken geen plezier. Hij kan best last van de hoogte hebben gekregen, toen hij eenmaal met de poten los was van de aarde. In elk geval spartele hij, en loeide.
De monniken trokken dat hun adem er van in brand stond, en hun armen knakten. De stier hing zo langs de muur en riep akelige dingen. En toen opeens kraakte er iets, en de prior, wist het eerste ogenblik niet of het een stier was, of het klooster, of een monnik. Maar het was de zeel waaraan het arme beest hing, en met een dreun als een vallende boom stond de stier weer op zijn eigen poten.

Dat hij toen een woeste stier was, laat zich wel raden. Hij begon met de staart in de lucht weg te lopen- weg, ver-weg van de monniken die door de schok allemaal door elkaar lagen, zodanig dat hun sandalen tussen hun mouwen zaten.

Éen van hen wist zich los te maken en greep een knots, om de stier te volgen. 'Houd hem !' riep hij, 'houd hem !' Een boer langs het pad stond stil en vroeg wat de stier gedaan had. Ja, daar wist de monnik eigenlijk geen antwoord op, zodat niemand hem hielp en de stier ontkwam. Maar als troost hebben ze die monnik met zijn knots in het wapen van Monnickendam gezet, en daar staat hij nog.

De stier had nog altijd last van de hoogte en brieste door het land als een gierbom. De hele dag stoof hij rond, langs Hogendijk, Zette en Purmer. Tenslotte kwam hij recht op Edam aan, waar hij omstreeks de nacht in een groot stuk weiland verdwaalde. Een melkknecht kwam langs, en herkende hem in het donker niet; hij dacht een man te zien. Hij vroeg hem wat hij er deed en de stier, die zich niet wilde verraden, mompelde 'Sterren', dat was het enige woord dat hij kende.

Pas later begreep de knecht dat hij de stier had ontmoet, en hij vertelde het aan de burgemeester, die Edam een prachtig wapen gaf : een stier op een groen veld, met 3 sterren erboven. Het woeste beest was al lang weer weg en daverde van Edam langs Axwijk naar Middelie. In Middelie hielden alle mensen de deuren dicht en de dieren vluchtten het kreupelhout in, ja zelfs de kikkers op de wallekant vluchtten, roepend 'Rrrekkekkekkkek- die is puurrr gek !'

De schepenen van Middelie, anders nooit buiten overdag omdat ze in het raadhuis behoorden te vergaderen, kwamen later tevoorschijn van achter de kerkhofmuur, en toonden zich diep getroffen door de juiste bewering van de kikkers. Zij lieten ter herinnering aan die dag 3 kikkers in hun wapen schilderen, en daarmee was het wapen van Middelie een feit.

De stier ondertussen trok zich niets aan van al die drukte, en raasde richting Oosthuizen. Iedereen in Oosthuizen maakte dat hij in veiligheid kwam, alleen Olde Marijtje kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen, pakte haar bril en liep de straat op. In de verte zag ze een grote stofwolk aankomen en daarvoor liep de burgemeester. Vóór Olde Marijtje de burgemeester kon vragen of dat inderdaad de stier was die in Monnickendam was losgebroken, was hij haar al lang voorbij en kreeg zij zelf een enorme bons van achteren, zodanig dat ze een groot stuk door de lucht vloog. De dorpelingen vonden haar later met haar hoofd door de leuning van de brug, de muts over haar ogen. Haar ene klomp lag in een dakgoot, de andere was gebarsten. In haar hand hield ze haar bril, waar één glas uit miste. Dit was nogal eigenaardig, glas was niet echt sterk, en de burgemeester vroeg of hij haar bril, met één glas in het wapen mocht zette. Olde Marijtje ging uiteraard akkoord en de bril staat nog steeds in het wapen van Oosthuizen. De stier ondertussen werd hoe langer hoe woester, maar waar hij al die tijd bleef weet niemand, want hij is niet in Beets, Oudendijk, Grosthuizen of Berkhout geweest.

De volgende ochtend vroeg dook hij echter opeens weer op, toen hij de poort van Hoorn ramde. De bewoners schrokken heel erg en bleven eerst nog in bed. Uiteindelijk waagden ze zich op straat en konden nog net de stier het andere einde van de stad uit zien rennen. Hoorn was dus gered. Het enige wat ze verder nog zagen was een hoorn, die de stier had verloren bij het rammen van de poort, de hoorn stak er nog in. En omdat Hoorn geen wapen had, besloot de schout dat Hoorn dan één hoorn in zijn wapen zou voeren. De bevolking was uiteraard enthousiast en het gevolg is dat die ene hoorn er nu nog staat.

En de stier ? Niemand heeft hem verder nog gezien, waarschijnlijk is hij gewoon weer tot rust gekomen.


Literatuur : vrij naar Olaf J. de Landell.

Personal tools
Google AdSense